HCC Beleggen Banner Advertisement
Menu
Voorpagina
HCC Beleggen
Symposia
Nieuwsbrief
Nieuwsbrief(archief)
Artikelen
Beleggers Info
Downloads
Sitemap


Voorpagina arrow Nieuwsbrief(archief) arrow Nieuwsbrief20140801
Nieuwsbrief20140801
HCC-Beleggen-Nieuwsbrief-logo.gif
Augustus 2014


Zet 4 oktober 2014 - alvast in uw agenda !
wat 63 ste HCC Beleggen Symposium
"Goed gereedschap is het halve werk"
waneer 4 oktober 2014 aanvang 10.00 uur
waar Cultureel & Vergader Centrum H.F. Witte

Henri Dunantplein 4 

3731 CL  De Bilt
activiteit
  • hele dag diverse lezingen in twee zalen door boeiende sprekers,
  • kennismaken met en hernieuwen van contact met medebeleggers, 
  • kennismaken met regiogroepen,
  • nieuwe ontwikkelingen, boeken en programmatuur kennis maken met financiele diensten, producten en innovaties bij flink een aantal leveranciers
locatie-info: Gezellig lunch-restaurant aanwezig, gratis parkeren, in midden van Nederland met goede aansluiting op snelwegen, bereikbaar per openbaar vervoer


advertentie
Banner_WH_HCC_SocialShopping_760-140px.jpg


Flevoland-Overijsel200x152.png
RG Flevoland-Overijssel

RG Flevoland-Overijssel is een van de HCC Beleggen Regio Groepen. Dit zijn regio georienteerde groepen van beleggers die geregeld bijeenkomen om in ontspannen sfeer met elkaar ervaringen, kennis en beleggings ideeën te delen 

Onderwerpen als ervaring met broker software, handelssystemen, indicatoren, werking van opties/turbo's enz. kunnen aan bod komen.

Benieuwd geworden naar deze groep beleggers, meld je dan per email aan Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken .



Manipulatie met misleidende orders en/of transacties
Bron: AFM
AFM-Info-sh450x200.gif


In deze interpretatie legt de AFM uit waarom het inleggen (en annuleren) van orders en/of het doen van transacties, waarvan het primaire doel ‘het beïnvloeden van andere marktpartijen’ lijkt te zijn, kan duiden op manipulatie.

Achtergrond
De AFM ziet in de praktijk met enige regelmaat orders en/of transacties die slechts bedoeld lijken te zijn om het handelsgedrag van andere marktpartijen te beïnvloeden. Mogelijk zijn deze orders/transacties misleidend of is daarvan misleiding te duchten ten aanzien van de koers, de vraag of het aanbod van financiële instrumenten zoals aandelen. In sommige gevallen lukt het een partij met dergelijk beïnvloedend handelsgedrag een andere partij (structureel) te verleiden tot het meebewegen met ingelegde orders/transacties.* Deze andere partij beweegt mee door steeds orders rond hetzelfde prijsniveau in te leggen als de orders van de misleidende partij. Op dit prijsniveau kan de misleidende partij vervolgens gunstiger handelen waarbij de meebewegende partij wordt benadeeld.

Volgens de Wet op het financieel toezicht (Wft) is sprake van overtreding van het verbod op marktmanipulatie  als van een order of een transactie een onjuist of misleidend signaal uitgaat of te duchten is met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de koers van een financieel instrument, of als een order of transactie wordt verricht of bewerkstelligd om de koers op een kunstmatig niveau te houden. Onder op een kunstmatig niveau te “houden” wordt in dit verband ook verstaan naar een kunstmatig niveau te “brengen”. Gelet op deze wet is mogelijk sprake van marktmanipulatie bij orders en/of transacties die slechts bedoeld lijken te zijn om het gedrag van een andere partij te beïnvloeden.

Hoe vaker een partij binnen een bepaalde tijdspanne orders en/of transacties verricht waarvan mogelijk een onjuist of misleidend signaal uitgaat of is te duchten, des te sterker is het vermoeden van mogelijke marktmanipulatie. Dit vermoeden wordt nog eens versterkt als uit nader onderzoek blijkt dat deze partij ook profiteert van dergelijk gedrag. Frequentie, tijdspanne van de handelingen en eventuele winstgevendheid worden meegenomen bij de beoordeling van het bewijs en de ernst van een eventuele overtreding van het verbod op marktmanipulatie.

Uitleg aan de hand van een praktijkvoorbeeld**
Stel de situatie voor dat voor een bepaald aandeel de beste verkooporder in de markt ligt op €11 en de beste kooporder op €10,85. Een partij P legt dan een verkooporder in op €10,99 en verbetert daarmee de beste verkooporder . Een andere partij X reageert direct daarop door op haar beurt de markt te verbeteren, namelijk naar €10,98. Partij P verbetert die prijs weer en ook partij X reageert daar weer op met een verbetering van die prijs. Dit tegen elkaar afgeven van steeds lagere (betere) verkoopprijzen verkrapt de spread en gaat zo door totdat uiteindelijk partij P een verkooporder inlegt op, bijvoorbeeld, €10,89. Partij X verbetert die prijs weer naar €10,88. Partij P stuurt dan een kooporder in om de verkooporder van partij X op €10,88 uit te nemen. Zodoende heeft partij P in plaats van €11 nu €10,88 per aandeel betaald. De verkooporders die eerder zijn gelegd op €10,89 en hoger, worden nu (of zijn al eerder) door partij P geannuleerd.

Partij P gaat vervolgens orders inleggen om te kopen op steeds hogere niveaus waarmee partij X dan ook steeds weer meebeweegt. Partij P zal, als partij X tot haar hoogste niveau is meegegaan met de kooporders van partij P, dan verkopen aan partij X. Door deze repeterende manier van handelen zal partij P steeds winst maken ten koste van partij X.
manipulatie-misleidende-ordersSH700x440.gif
Afbeelding van gedrag partij P en reactie partij X

In de afbeelding die je via de link hierboven kunt bekijken, is te zien dat partij X steeds de door partij P ingelegde verkooporders verbetert en daarmee de spread verkleint, waarbij partij P als partij X zijn verkoopprijs op een laag niveau heeft ingelegd, tegengesteld aan zijn eerder ingelegde verkooporders, juist koopt. Daarna gaat partij X weer mee als partij P steeds betere kooporders inlegt. Op het hoogste gaat P, tegengesteld aan zijn eerder ingelegde kooporders, verkopen aan partij X. Het transactieresultaat is een winst voor partij P en een verlies voor partij X. Dit voor partij P winstgevende en voor partij X verlieslatende gedragspatroon kan gedurende de handelsdag nog vele keren volgen.***

De AFM heeft ook gedrag gesignaleerd dat in de eindsituatie, vlak voorafgaande aan de transactie tussen partij P en partij X, partij X niet meer de order van partij P verbetert, maar op hetzelfde niveau dat partij P stelt komt bijliggen. In voorgesteld voorbeeld zou partij P bijvoorbeeld een verkooporder op €10,89 inleggen die partij X niet verbetert naar een lagere prijs, maar waar partij X dan komt bijliggen door ook een verkooporder in te leggen op datzelfde prijsniveau van €10,89. Dan merkt partij P dat partij X niet bereid is om tegen nog lagere prijzen te verkopen. Echter, partij P ligt op dat prijsniveau  vooraan in het orderboek door de toepassing van de zogeheten prijs-tijd prioriteit regel****. Partij P past haar verkooporder op €10,89 aan, bijvoorbeeld door het verhogen van de ordergrootte. Het gevolg is dat de order van partij P haar tijd prioriteit op de andere order (die van partij X) verliest en daarachter wordt geplaatst. Vervolgens legt partij P een kooporder in tegen €10,89 voor het deel wat partij X in verkoop heeft liggen op dat prijsniveau. In dit geval is het des te duidelijker dat partij P niet wilde verkopen tegen de door haar ingelegde steeds lagere prijsniveaus maar juist wilde kopen op dat lagere niveau.

Van het hiervoor omschreven handelsgedrag gaat naar het oordeel van de AFM een onjuist of misleidend signaal uit of is dat daarvan te duchten met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de koers van het financiële instrument. Op basis van de Wft is dan sprake van verboden marktmanipulatie.

Samenvattend
Partij P manifesteerde zich als verkoper die zich in het orderboek bereid toonde om tegen steeds lagere prijzen te verkopen maar kocht dan op die lagere prijzen als de andere partij X mee was gegaan met de prijzen die partij P inlegde. Dit deed partij P ook andersom. Dus kooporders inleggen tegen steeds hogere prijzen maar juist verkopen tegen die hogere prijzen als de andere partij X daarin mee was gegaan.

Partij P gaf hiermee misleidende signalen af over het aanbod van, de vraag naar of de koers van een financieel instrument. Volgens de AFM heeft partij P orders ingelegd die louter tot doel hadden om (een handelsalgoritme van) partij X te beïnvloeden om mee te gaan met deze orders of deze orders te verbeteren.

Het inleggen van orders en/of het doen van transacties met het doel om andere partijen te verleiden/te misleiden tot het afgeven van gunstigere prijzen om daarvan gebruik te maken gaat in tegen gebruikelijk en integer handelsgedrag.

Tot slot

De AFM beschouwt dit handelsgedrag als een overtreding van het verbod op marktmanipulatie zoals dat in de Wft is vastgelegd. Handelsgedragingen zijn zelden identiek. De genoemde voorbeelden zijn bedoeld om in algemene zin de generieke kenmerken te beschrijven van dit soort manipulatieve gedragingen bij transacties in financiële instrumenten.

Voetnoten:
Marktmisbruik – gebruik van voorwetenschap, manipulatie of misleiding – is verboden.
Het verbod op marktmanipulatie is neergelegd in artikel 5:58, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.

Als de AFM marktmanipulatie constateert kan de AFM onder meer aangifte doen bij het Openbaar Ministerie of een bestuurlijke boete opleggen. Het basisbedrag van deze wettelijk vastgestelde, bestuurlijke boete is €2.000.000.

* Zie artikel 5:58 van de Wft.
** In verband met haar geheimhoudingsplicht kan de AFM niet in detail ingaan op dit praktijkvoorbeeld. Vandaar dat in de voorbeelden desbetreffende partijen en het financieel instrument niet bij naam worden genoemd. De AFM heeft passende maatregelen genomen om dit gedrag te stoppen.
*** De reden dat een tegenpartij steeds maar ‘mee’ blijft gaan en niet direct beseft dat zij misleid wordt, kan liggen in het feit dat veel partijen gebruik maken van geautomatiseerde handelsalgoritmen die vaak, tot op zekere hoogte, standaard en voorspelbaar reageren op acties van andere marktpartijen.
**** Prijs-tijd prioriteit zorgt ervoor dat de beste prijzen vooraan staan voor uitvoering. Als op een bepaald prijsniveau meerdere orders zijn ingelegd, dan heeft de order die als eerste is ingestuurd prioriteit op de andere orders die op datzelfde prijsniveau maar later zijn ingestuurd.
Terug naar Inhoud


Helmond_wapen202x300.jpgDoe het zelf beleggers in de regio Helmond

Wij zijn een klein studie-beleggerclubje dat zich richt op het uitwisselen van kennis en ervaringen om zelf actief en succesvoller te kunnen beleggen.
Wat we doen?:
  • We bespreken elkaars aanpak en strategieën, wisselen criteria uit die iedereen maakt bij de keuzes van aandelen, opties en andere derivaten.
  • Ook gaan we dieper in op specifieke (optie-) constructies die succesvol kunnen zijn.
  • We nemen ook deel aan seminars of andere studiebijeenkomsten en wisselen alle relevante informatie over zelf beleggen uit.
  • We komen elke 3e maandag van de maand bij elkaar en tussentijds wisselen we zaken uit via de mail.
We zoeken uitbreiding van ons groepje met enkele actieve beleggers die kennis en ervaringen willen delen om beter voorbereid te kunnen beleggen.

Neem bij interesse contact op via de mail met het bestuur van de HCC Beleggen. Vermeld in de mail dat het om de groep Helmond gaat.



Lage inflatie hindert economisch herstel Eurozone
Bron: Me Judice, 30 juli 2014
lage-inflatie-eurozone-slakSH400x209.jpg bewerking van http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Grapevinesnail_01.jpg

Een hoger niveau van inflatie, met behoud van het verschil in inflatie tussen Noordelijke en Zuidelijke lidstaten, zou onevenwichtigheden in de prijsconcurrentiepositie binnen de Eurozone sneller rechttrekken. Dit zou het economisch herstel in de Eurozone ten goede komen. Maar voorlopig liggen hogere inflatiecijfers niet in het verschiet, stelt Rabo-econoom Michiel Verduijn.


Inflatie fors omlaag
Sinds eind 2011 is het gemiddelde inflatietempo in de eurozone geleidelijk gedaald tot 0,5% (jaar-op-jaar) in juni. Dit ligt beduidend onder de ECB-doelstelling van ‘onder maar dicht bij de 2%’ (figuur 1). In vergelijking met de afgelopen decennia is dit uitzonderlijk laag. Sinds begin jaren negentig was de gemiddelde inflatie in de huidige eurozone slechts één keer lager. Na de financiële crisis was er medio 2009 kortstondig sprake van lichte deflatie, een daling van het gemiddelde prijspeil.

Een aanzienlijk deel van de inflatiedaling sinds eind 2011 kunnen we verklaren door tijdelijke factoren. Een goed voorbeeld is het wegvallen van de positieve bijdrage vanuit energie- en voedselprijzen. In vergelijking met de inflatiepiek van 3% in oktober 2011 is de bijdrage van energie- en voedselprijzen in mei 2014 1,4%-punt lager. Deze lagere bijdrage is overigens deels een gevolg van de appreciatie van de euro sinds medio 2012, zeker ten opzichte van de dollar. Het is dus niet zo dat de gehele afname van het inflatietempo een gevolg is van een zwakke conjunctuur.

Figuur 1. Inflatie scherp omlaag
lage-inflatieSH590x380.jpg
Afname bestedingsdruk
Toch kunnen we een deel van de algehele inflatiedaling in de eurozone wel degelijk toeschrijven aan de afname van de bestedingsdruk. De kerninflatie, waarbij de prijsontwikkeling van energie en onbewerkt voedsel buiten beschouwing wordt gelaten, is de afgelopen jaren immers ook gedaald en dit kunnen we slechts gedeeltelijk verklaren door de afname van het prijsverhogende effect van hogere indirecte belastingen. Als onderdeel van hun bezuinigingsinspanningen verhoogden diverse overheden de afgelopen jaren hun btw-tarief of accijnzen op bijvoorbeeld alcohol en tabak. Dergelijke maatregelen vertalen zich direct in hogere prijzen, maar het jaar-op-jaareffect op het inflatietempo loopt er na twaalf maanden weer uit. Aangezien overheden dergelijke indirecte belastingverhogingen momenteel minder inzetten dan een paar jaar geleden, is hun inflatiebijdrage afgenomen van een piek van 0,6%-punt in september 2012 naar momenteel 0,2%-punt.

Grote verschillen tussen lidstaten
De inflatieverschillen tussen de eurozonelidstaten zijn op dit moment groot, waarbij Spanje, Portugal en Griekenland de afgelopen maanden te maken hebben gehad met een gestage daling van de prijzen, ofwel deflatie (figuur 2). De verschillen binnen de eurozone komen niet uit de lucht vallen: de lidstaten met zeer lage inflatie of zelfs deflatie zijn precies die lidstaten die de afgelopen jaren een bezuinigings- en hervormingsprogramma hebben doorlopen als voorwaarde voor financiële steun vanuit Europa en het IMF. Deze programma’s zijn geënt op het op orde brengen van de overheidsfinanciën en op een zogeheten ‘interne devaluatie’: het herwinnen van de (prijs-)concurrentiekracht. Dit moet dan gebeuren zonder wisselkoersaanpassing omdat dit binnen een muntunie nu eenmaal per definitie niet mogelijk is. De grote bezuinigings- en hervormingsinspanningen in deze landen hebben geleid tot een enorme krimp van de binnenlandse vraag, wat een daling van de kerninflatie of zelfs deflatie in de hand werkt.

Figuur 2. Grote inflatieverschillen
f2mvSH590x380.jpg
Een belangrijke oorzaak van de eurocrisis is dat de concurrentiepositie van de lidstaten sterk uiteen is gelopen. Verschillende perifere landen zagen hun concurrentiepositie verslechteren doordat hun (loon-)inflatie duidelijk hoger lag dan die in de kernlanden. Om hun concurrentiepositie te herstellen, moeten zij hun loonkosten (per eenheid product) weer in lijn brengen met de sterkere landen. Dat kan door relatieve verlaging van de loonkosten of door opvoering van de arbeidsproductiviteit. De inflatieverschillen tussen de Noordelijke en Zuidelijke lidstaten zijn vanuit dat perspectief dus gewenst. Een hoger inflatietempo in de gehele eurozone, waarbij het onderlinge inflatieverschil tussen de sterkere en zwakkere landen intact blijft, zou daarbij zeer wenselijk zijn.

MeJudice_new_logo220x55.png

michiel-verduijn.jpgMichiel Verduijn





Rabobank Utrecht
Michiel Verduijn MSc. (1986) is sinds 15 september 2010 werkzaam bij het directoraat Kennis en Economisch Onderzoek (KEO) van Rabobank Nederland. Daarvoor heeft hij stage gelopen bij het Economisch Bureau van de ING en bij de Nederlandsche Bank. Hij heeft algemene economie gestudeerd en vervolgens een tweede master behaald in Finance.
Zolang de gemiddelde eurozone-inflatie vanaf het huidige lage niveau niet oploopt, blijven de Zuidelijke lidstaten kampen met zeer lage inflatie of zelfs deflatie, anders kunnen zij hun concurrentiepositie niet herstellen, en hieraan kleven (op termijn) diverse nadelen. Ten eerste kan deflatie in theorie leiden tot uitstel van consumptieve bestedingen en tot een rem op investeringen vanwege een te hoge reële rente. Ten tweede ondermijnt deflatie in de Zuidelijke lidstaten de houdbaarheid van hun hoge nominale publieke en private schulden. Die stijgen immers in reële waarde. Het proces van schuldafbouw zal op deze manier alleen maar langer duren. Ten derde kan nominale loonstarheid ervoor zorgen dat lonen zeker in eerste instantie onvoldoende dalen in lijn met de afnemende inflatie. Op de korte termijn levert dit weliswaar een positieve impuls op vanwege de stijgende koopkracht, maar op de iets langere termijn zal een hieruit volgende stijging van de reële loonkosten negatief doorwerken op de werkgelegenheid.

Vooruitblik: inflatie langer laag
Een langdurige periode van lage inflatie of zelfs deflatie is dus ongewenst voor het economische herstel in de eurozone omdat deze de convergentie van de relatieve concurrentieposities van de lidstaten bemoeilijkt en het proces van schuldafbouw remt. Naar onze verwachting moeten wij voor de komende jaren helaas wel van een lage gemiddelde inflatie uitgaan. Een zwakke vraagontwikkeling en een negatieve output gap -het verschil tussen de huidige productie en de potentiële productie- ondersteunen deze verwachting (IMF, 2010; ECB, 2011). Een negatieve output gap gaat immers gepaard met werkloosheid boven het evenwichtsniveau (gedefinieerd als werkloosheid bij gesloten output gap), wat resulteert in een lagere loongroei en daarmee een lagere inflatiedruk. Een inschatting van de omvang van de huidige output gap en van het tempo waarmee deze de komende jaren wordt gesloten is cruciaal voor de toekomstige inflatieontwikkeling.

Er zijn diverse redenen om aan te nemen dat de huidige negatieve output gap in de eurozone relatief beperkt is (Wereldbank, 2014):

1. Ten eerste is het realistisch om te denken dat een deel van de sterke (investerings-)groei in de jaren voorafgaand aan de crisis onhoudbaar was en daarom niet zal terugkeren. Het structurele groeipad is lager dan eerder geraamd, de output gap is daardoor minder negatief.

2. Ten tweede is sprake van zogeheten hysterese-effecten. Onder hysterese verstaan wij de gevolgen van een negatieve output gap op de lange termijn, bijvoorbeeld in de vorm van het verlies van vaardigheden en motivatie van werklozen of door een afname van de investeringen. Het (endogeen) afnemen van de potentiële groei door bijvoorbeeld hysterese kan resulteren in een minder negatieve output gap en daardoor een hogere inflatiedruk. Ondanks de inschatting dat de omvang van de huidige output gap relatief beperkt is, kan het lang duren voordat deze volledig is gesloten. Dit komt met name door de aanhoudend zwakke binnenlandse vraag. Gedurende het sluiten van deze output gap zal de inflatie naar verwachting slechts zeer geleidelijk terugkeren naar de ECB-doelstelling van ongeveer 2%.

Figuur 3. Overheidsfinanciën eurozone
f3mvSH590x400.jpg
Er zijn diverse factoren die ervoor zorgen dat de binnenlandse vraag in de eurozone de komende jaren slechts zeer geleidelijk zal herstellen (voetnoot 1):

1. Ten eerste blijft in veel lidstaten de komende jaren een begrotingsinspanning noodzakelijk, conform de regels van het Stabiliteits- en Groeipact. In tal van landen moeten overheden hun begrotingstekort onder de grens van 3% van het BBP brengen. Vrijwel iedere lidstaat moet bovendien zijn overheidsschuld geleidelijk tot de 60%-BBP-grens laten afnemen (figuur 3).

2. Ten tweede blijft er de komende jaren vermoedelijk sprake van afbouw van schulden in de private sector. Figuur 4 laat zien dat de schuldafbouw door bedrijven en huishoudens in de Zuidelijke lidstaten weliswaar is begonnen, maar dat de schuld als percentage van het BBP, deels vanwege het zogeheten noemer-effect, slechts bescheiden is afgenomen.

3. Ten derde speelt balansherstel niet alleen bij bedrijven en huishoudens, maar ook in de bancaire sector. Mede door de Basel 3-richtlijnen streeft vrijwel het gehele Europese bankwezen naar hogere kapitaalratio’s, waardoor veel banken zich gedwongen voelen hun balans (verder) te laten krimpen. Figuur 5 toont dat de kredietverlening aan het niet-financiële bedrijfsleven de afgelopen jaren zwaar onder druk heeft gestaan. Voor een deel is dit het gevolg van vraaguitval door de zwakke conjunctuur. Maar het is waarschijnlijk dat ook het proces van balansversterking bij banken een grote impact heeft gehad op de kredietverlening aan het niet-financiële bedrijfsleven.

4. Ten vierde zorgt de aanhoudend hoge werkloosheid in de eurozone voor relatief lage loongroei, hoewel nominale starheden dit proces remmen, zoals hierboven beschreven. De hoge werkloosheidspercentages zullen de komende jaren waarschijnlijk afnemen vanwege het verwachte economische herstel, maar vanuit het arbeidsaanbod (terugkeer van ‘ontmoedigden’, pensioenhervormingen) zijn er diverse factoren die er voor zorgen dat deze afname slechts zeer geleidelijk zal verlopen.

Figuur 4. Schuldafbouw periferie
f4mvSH590x385.jpg
Figuur 5. Kredietverlening onder druk
f5mvSH590x390.jpg
Tot slot constateren wij dat het voor beleidsmakers lastig is om de bestedingsontwikkeling te stimuleren omdat de gereedschapskist met budgettaire en monetaire beleidsinstrumenten zeer mager is gevuld. De conventionele budgettaire en monetaire instrumenten zijn beperkt vanwege respectievelijk de reeds hoge overheidsschulden en de zeer lage beleidsrente. Bij gebrek aan conventionele instrumenten hint de ECB daarom al langer op de mogelijkheid van kwantitatieve verruiming. De concrete invulling hiervan is echter nog onbekend, maar op voorhand al omstreden, omdat het opkopen van staatsschuld riekt naar monetaire financiering van overheidstekorten. Naast het controversiële karakter kan men vraagtekens plaatsen bij de effectiviteit van het opkopen van bijvoorbeeld bancair schuldpapier als Asset Backed Securities (ABS). Het doel hiervan is het creëren van ruimte aan de activazijde van banken voor nieuwe kredietverlening. Het transmissiemechanisme zal echter de komende jaren verstoord blijven door het proces van kapitaalversterking en balansverkorting. Het is dus twijfelachtig of dit de bestedingen van bedrijven en huishoudens zal stimuleren. De gebrekkige Europese toolkit, in combinatie met de beperkte bereidheid om controversiële beleidsopties te gebruiken, ondersteunt onze basisverwachting van een periode van lage inflatie.

Conclusies
In vergelijking met de afgelopen decennia is de gemiddelde inflatie in de eurozone momenteel uitzonderlijk laag. Hoewel we een aanzienlijk deel van de inflatiedaling sinds eind 2011 kunnen verklaren door tijdelijke factoren is een deel van de daling ook toe te schrijven aan de zwakke bestedingsdruk. De huidige inflatieverschillen tussen Noordelijke en Zuidelijke lidstaten zijn cruciaal om het opgebouwde verschil in prijsconcurrentiepositie te herstellen. Maar vanwege de nadelen van zeer lage inflatie en zeker deflatie zou een hogere inflatie in zowel de Zuidelijke als de Noordelijke lidstaten, waarbij het onderlinge inflatieverschil intact blijft, wenselijk zijn. Een moeizame afbouw van de nominale publieke en private schulden en een afname van de werkgelegenheid vanwege een stijging van de reële loonkosten vormen de belangrijkste risico’s van te lage inflatie, vooral voor Zuid-Europa. Vanwege de huidige negatieve output gap en de diverse factoren die de binnenlandse vraag de komende jaren blijven drukken, toont ons basisscenario een slechts geleidelijk economisch herstel met een inflatie die langer laag blijft. De zeer beperkte beleidsmogelijkheden om de vraagzijde stimuleren en het controversiële karakter van enkele resterende instrumenten ondersteunen dit beeld.

Voetnoten
(1) De focus ligt daarmee op de bestedingsinflatie, mede omdat een toekomstige inschatting van de kosteninflatie zeer lastig is vanwege het grillige verloop van bijvoorbeeld energie- en voedselprijzen, wisselkoersen en indirecte belastingen. Een belangrijke aanname onder ons basisscenario is dus dat de inflatiebijdrage van dergelijke exogene factoren de komende jaren beperkt is.

Referenties
-Europese Commissie (2014), European Economic Forecast: Spring 2014, Brussel.
-IMF (2010), Still minding the gap: inflation dynamics during episodes of persistent large output gaps, IMF working paper 10/189, Washington.
-Wereldbank (2014), Sluggish postcrisis growth: polices, secular stagnation and outlook, Economic Premise no. 139, April.
Terug naar Inhoud


daytradingad_753x240.jpg

Nederlandse spaartegoeden verder toegenomen
Bron: DNB Statistisch Nieuwsbericht 25 juli 2014 
DNB-logo-SH290x125.gif
  
Nederlandse huishoudens hebben in de eerste helft van 2014 bijna EUR 6,6 miljard meer spaargeld gestort dan opgenomen bij Nederlandse banken. Hierdoor hebben zij eind juni zo’n EUR 335 miljard op binnenlandse spaarrekeningen staan, een niveau dat niet eerder bereikt is. Per particulier huishouden komt dit gemiddeld neer op ruim EUR 44.000.

De netto-inleg van spaargeld is in het eerste half jaar van 2014 positief geweest en kwam in zijn totaliteit uit op bijna EUR 6,6 miljard. Vooral bij de vrij opneembare deposito’s werd geld ingelegd. Ook bij de deposito’s met vaste looptijd was in het eerste half jaar van 2014 een lichte instroom van spaargeld te zien. Het grootste deel van de Nederlandse spaartegoeden, ruim 85 procent, staat op vrij opneembare spaarrekeningen, zoals internetspaarrekeningen. De totale hoeveelheid spaargeld die huishoudens bij banken hebben uitstaan is sinds eind 2013 gestaag gestegen naar EUR 335 miljard, een niveau dat niet eerder is bereikt (zie grafiek).

Grafiek:   Spaargeld Nederlandse huishoudens aangehouden bij banken en netto-inleg spaargeld
Spaargeld Nederlandse huishoudens-aangehouden-bij-banken-en-netto-inleg spaargeld_tcm46-310031-SH494x305.jpg
Het huidige niveau van de spaartegoeden betekent dat een particulier huishouden in Nederland gemiddeld ruim EUR 44.000 op spaarrekeningen heeft staan. Tien jaar geleden was dat EUR 30.000.
Niet alleen in absolute termen is het huidige niveau van de spaartegoeden niet eerder gehaald, dit geldt ook wanneer de spaartegoeden gerelateerd worden aan het besteedbaar inkomen van huishoudens.
Momenteel zijn de gemiddelde spaartegoeden van de particuliere huishoudens ruim 30 procent hoger dan het besteedbare inkomen, in 2004 lagen spaartegoeden en besteedbaar inkomen beide nog op het niveau van gemiddeld EUR 30.000 per huishouden.

De achterliggende ontwikkeling in de hoeveelheid spaargeld van huishoudens kan verder inzichtelijk worden gemaakt aan de hand van de maandelijkse inleg en opname van spaargeld. Ook dit jaar is een duidelijk herkenbaar seizoenpatroon zichtbaar met hoge netto-inleggen in de maanden januari en mei. Dit komt vooral door de eindejaarsbonussen en het vakantiegeld die in de respectievelijke maanden worden uitgekeerd. De maandelijkse netto-inleg van spaargeld is in het eerste half jaar van 2014 met uitzondering van de maand februari positief geweest en kwam dus in totaal uit op bijna EUR 6,6 miljard. Ter vergelijking: in het eerste half jaar van 2013 legden de Nederlandse huishoudens per saldo voor EUR 3,6 miljard aan spaargeld in.

Een analyse van de onderliggende stromen wijst uit dat zowel de inleg als de opname van spaargeld in de eerste helft van 2014 lager is dan dezelfde periode in voorgaande jaren. De opname van spaartegoeden daalde echter veel sterker dan de inleg waardoor het netto effect positief was. Er werd vooral weinig vrij opneembaar spaargeld opgenomen (in de eerste helft van 2014 ruim EUR 8 miljard tegenover bijna EUR 16 miljard in dezelfde periode van 2013) ondanks dat de rente die op deze spaar­gelden wordt vergoed in 2014 licht is gedaald.

Link:   Binnenlands bankbedrijf (monetair)
Terug naar Inhoud


Noordbeleggen753x244.jpg

Sparend Nederland
Bron: DNB
Sparend-Nederland-relief-SH450x412.jpg


In de afgelopen decennia is het saldo op de lopende rekening van Nederland sterk toegenomen.

Dit ‘spaaroverschot’ ontstaat doordat ons land meer inkomsten heeft dan uitgaven. Huishoudens sparen minder dan vroeger, maar de bedrijven aanzienlijk meer.

De grote multinationals, het omvangrijke pensioenvermogen en de lange huishoudbalansen hebben een grote statistische invloed op de Nederlandse besparingen.

Vanwege deze uitzonderlijke financieel- economische structuur moet het saldo op de lopende rekening met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.  Dit zijn enkele conclusies uit een Occasional Study van DNB over het spaaroverschot.


Het saldo op de lopende rekening staat sinds de crisis meer in de belangstelling. De Europese Commissie gebruikt het als indicator voor mogelijke macro-economische onevenwichtigheden. Met een gemiddelde omvang in de afgelopen drie jaar van 9,2% ligt het Nederlandse overschot historisch en internationaal gezien op een hoog niveau, en boven de Brusselse grenswaarde van 6%. Een hoog saldo op de lopende rekening wordt gereflecteerd door een hoog spaaroverschot: het betekent immers dat niet alle inkomsten worden omgezet in consumptie en binnenlandse investeringen. Voor een verklaring van de toename van het saldo op de lopende rekening is het inzichtelijk om het spaaroverschot nader te ontleden, omdat zo de bijdragen van huishoudens en bedrijven kunnen worden onderscheiden.

Huishoudens sparen minder
Wie slechts kijkt naar de stijgende tegoeden op spaarrekeningen zou de conclusie kunnen trekken dat Nederlandse huishoudens nijvere spaarders zijn. Maar of huishoudens per saldo sparen is afhankelijk van de veranderingen in álle financiële vorderingen en verplichtingen, en niet slechts van de spaartegoeden. Door die bril verandert het beeld. In de jaren tachtig werd er daadwerkelijk veel gespaard door de Nederlandse huishoudens. Maar vanaf halverwege de jaren negentig kwam daar door de grote toename van de hypotheekschulden verandering in; na de eeuwwisseling was het spaarsaldo van huishoudens zelfs enkele jaren negatief.

Hoewel het spaarsaldo van huishoudens sinds de crisis is opgelopen, ligt het nog altijd ruim onder het niveau uit de jaren tachtig. De belangrijkste reden voor het lagere spaarsaldo van huishoudens is dat de overwaarde op de eigen woning is verzilverd. Doordat de waarde van hun huis was gestegen, konden huishoudens extra krediet opnemen. Tegelijkertijd zijn ook hun collectieve besparingen voor het pensioen gedaald. De pensioenpremies zijn weliswaar toegenomen, maar door de vergrijzing zijn de pensioenuitkeringen ook gestegen. De beleggingsinkomsten van pensioenfondsen zijn bovendien als gevolg van lagere rente- en dividendinkomsten gedaald. Een kanttekening is dat die beleggingsinkomsten (en daarmee het saldo op de lopende rekening) neerwaarts worden vertekend door de winstinhouding van de bedrijven waarin de pensioenfondsen aandelen hebben. Koersstijgingen blijven in de systematiek van de betalingsbalans namelijk buiten beschouwing.

Bedrijven sparen meer
Sinds eind jaren negentig zijn Nederlandse bedrijven juist meer gaan sparen. Die oploop reflecteert lagere binnenlandse investeringen, alsook hogere ingehouden winsten. Bij het hoge spaarsaldo spelen multinationals een belangrijke rol. In landen waar het bedrijfsleven veel in het buitenland investeert, zoals Nederland, spaart het bedrijfsleven doorgaans meer. Dat komt voor een belangrijk deel door de statistische afspraak dat de winsten die buitenlandse dochtermaatschappijen van multinationals behalen volledig als inkomsten aan de moedermaatschappij toekomen,ook als ze lokaal worden ingehouden ter financiering van investeringen. De winsten uit buitenlandse belangen gaan in Nederland vooral naar beursgenoteerde bedrijven, die voor een belangrijk deel in buitenlandse handen zijn. Voor zover zij die winst als dividend uitkeren, stroomt die grotendeels naar buitenlandse beleggers. Maar voor zover zij deze winst inhouden, draagt dit bij aan een hoger Nederlands spaaroverschot.

Economische structuur beïnvloedt het spaaroverschot
Nederland heeft een uitzonderlijke financieel-economische structuur. Door de fiscale stimulering van zowel hypotheekschuld als pensioenvermogen hebben huishoudens lange balansen. Het pensioenvermogen is erg groot ten opzichte van de omvang van de economie, en mede om die reden voor een belangrijk deel in het buitenland belegd. Om historische redenen heeft Nederland bovendien een relatief groot aantal multinationals binnen haar grenzen. Gecombineerd met de toegenomen handels- en inkomensstromen als gevolg van de globalisering van de economie maken deze omstandigheden het saldo op de lopende rekening moeilijk eenduidig te interpreteren.

Figuur 1 laat dit zien. In deze figuur wordt gecorrigeerd voor het niet-uitkeren van ingehouden winst aan het buitenland (door multinationals) en aan Nederland (voor de pensioenbeleggingen). In de jaren voor de crisis heeft het gecombineerd effect het saldo op de lopende rekening behoorlijk verhoogd. In recente jaren heffen deze effecten elkaar ongeveer op, maar hebben andere bijzonderheden, zoals de procylische werking van het pensioenstelsel en de woningmarkt, het saldo vertekend. Dit illustreert in de eerste plaats dat het saldo op de lopende rekening met voorzichtigheid moet worden geïnterpreteerd.
Grafiek 1 - Saldo lopende rekening en winstinhouding_tcm46-309959SH520x340.gif
Geeft het hoge saldo op de lopende rekening nu aanleiding tot zorg over macro-economische onevenwichtigheden? Het antwoord op die vraag is gemengd.
Niemand zal betogen dat Nederland minder multinationals zou moeten hebben. En de uitsplitsing van het spaaroverschot laat zien dat niet eenvoudigweg kan worden gesproken van ‘onderbesteding’.
Het hoge saldo op de lopende rekening is veeleer een uiting van een ander soort onevenwichtigheid: de uitzonderlijke financieel-economische structuur van Nederland.
Het verdient aanbeveling – zoals het SER-rapport ‘Nederlandse economie in stabieler vaarwater’ vorig jaar ook al betoogde – om deze structuur geleidelijk te normaliseren. De eerste stappen daartoe zijn overigens al gezet. In dit licht is het verstandig dat de Europese Commissie het saldo op de lopende rekening slechts als een startpunt gebruikt voor nadere analyse, en de onderliggende ontwikkelingen analyseert in plaats van direct beleidsconclusies te verbinden aan de omvang van het saldo.

Download: Het nationale spaaroverschot ontleed (PDF: 377.0 Kb)
Terug naar Inhoud


RG_NH_ad_201109_753x202.jpg

Europees betaalsysteem SEPA ingevoerd
Bron: Redactie
iban_opbouwSH310x145.gif

Op 1 augustus 2014 is Nederland, net als andere eurolanden, overgegaan op het Europese betalingssysteem SEPA (Single Euro Payments Area) .


Het onderscheid tussen nationale en internationale betalingen binnen de eurozone is daardoor verdwenen. De overgang naar het betalingssysteem SEPA betekent dat iedereen een IBAN  (International Bank Account Number) van 18 tekens krijgt. Daarnaast zal er betaald worden met de Europese overschrijving (SCT = SEPA Credit Transfer) en de Europese incasso (SDD = SEPA Direct Debit) .
Alle banken in Europa (behalve Rusland, Wit-Rusland, Oekraïne en Moldavië) gebruiken het IBAN-systeem. Ook in Israël, Tunesië, Mauritius, Turkije, Saoedi-Arabië en Libanon is dit Europese systeem overgenomen.

De introductie van één geïntegreerde Europese betaalmarkt, de Single Euro Payments Area (SEPA), is in januari 2008 gestart. Dit was een initiatief van de eurozone (zie overzichtskaartje), die toen uit dertien landen bestond.
Er zijn plannen om dit uniforme betaalgebied zelfs uit te breiden tot alle 28 lidstaten van de Europese Unie. Iedereen zou dan in alle EU-lidstaten zonder problemen met dezelfde pinpas kunnen betalen. Dat moet transactiekosten voor consumenten verlagen, maar sommige deskundigen betwijfelen of dit ook zal gebeuren.

eurozoneSH340x490.jpg
Het nieuwe pinnen, waar in 2011 al mee is kennisgemaakt, maakt ook onderdeel uit van het nieuwe betalingssysteem.
De Nederlandse acceptgiro krijgt geen Europese opvolger, maar wordt aangepast aan de Europese standaarden. Naar verwachting zal de acceptgiro uiterlijk in 2019 zijn uitgefaseerd; voor die tijd worden er alternatieven ontwikkeld.

De invoering was aanvankelijk gepland voor 1 februari 2014, maar omdat de invoering van SEPA in veel EU-landen langzaam verliep, werd de overgangstermijn naar het Europese betalingssysteem verlengd tot 1 augustus 2014. Nu kan er dus geen gebruik meer worden gemaakt van oude rekeningnummers, maar alleen nog van IBAN-rekeningnummers.
Alleen goede doelen kunnen (voorlopig) blijven gebruikmaken van korte rekeningnummers, zoals giro 555.

Bedrijven die nog niet over zijn naar IBAN kunnen geen automatische incasso's meer innen en vertraging oplopen bij betalingen. 200 tot 300 ondernemingen die elke maand duizenden transacties verwerken kunnen daardoor zelfs in financiële problemen komen, meldde De Nederlandsche Bank (DNB) onlangs.
Volgens DNB is 94 procent van de Nederlandse consumenten bekend met de 18-cijferige code.
Van de ouderen is slechts de helft klaar voor IBAN, blijkt uit onderzoek van seniorenorganisatie ANBO.

Bijna 22 miljard euro wordt met de invoering van SEPA bespaard. Bedrijven hoeven nu niet meer per Europees land een aparte rekening aan te houden, waardoor 9 miljoen bankrekeningen kunnen worden geschrapt. Dat stellen analisten van accountantskantoor PwC, die in opdracht van de Europese Commissie keken naar de gevolgen.

Lees meer:
Over SEPA, de totstandkoming, voor en nadelen en toepassingsgebied van de Single Euro Payments Area (SEPA) . Klik hier voor uitgebreid artikel op wikipedia
Over IBAN, de regelgeving, structuur w.o. samenstelling, validatie en landenspecifieke regels  van dit International Bank Account Number. Klik hier voor uitgebreid artikel op wikipedia
Over op Iban: Campagne - website: Klik Hier
Terug naar Inhoud


CoSAad_201109_753x202.jpg

Voorinschrijving op effecten valt onder prospectusplicht
Bron: AFM 25-07-2014
AFM-Info-sh450x200.gif

In de aanloop van het aanbieden van effecten door middel van een goedgekeurd prospectus geven marktpartijen in sommige gevallen beleggers al de mogelijkheid om zich (voor) in te schrijven op deze effecten.

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) merkt op dat een dergelijke (voor) inschrijving valt onder het verbod effecten aan te bieden zonder een goedgekeurd prospectus door de AFM of een andere toezichthouder van een lidstaat.

Het verbod om in Nederland zonder een goedgekeurd prospectus door de AFM effecten aan te bieden staat in artikel 5:2 van de Wet op het financieel toezicht (Wft).

Wat onder aanbieden van effecten aan het publiek moet worden verstaan, is uitgewerkt in artikel 5:1 onder a van de Wft:        

"het doen van een tot meer dan een persoon gericht voldoende bepaald aanbod als bedoeld in artikel 217, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, tot het aangaan van een overeenkomst tot het kopen of anderszins verkrijgen van effecten dan wel een uitnodiging tot het doen van een aanbod op dergelijke effecten."


Een uitnodiging aan beleggers geldt als een aanbod
Deze ruime definitie van ‘aanbieden’ gaat verder dan enkel het civielrechtelijk aanbod. Ook een uitnodiging tot het doen van een aanbod, zoals bij de veilingfusie en bookbuilding, valt onder het bereik van de effectenrechtelijke definitie van ‘aanbieden’.

In beide voorbeelden is er sprake van het peilen van het aantal gegadigden en hun interesse met de bedoeling te komen tot een koopovereenkomst. Na het verstrekken van het goedgekeurd prospectus maken de beleggers kenbaar of en hoeveel effecten zij voor welke prijs willen kopen. Ook andere vormen van ‘uitnodiging tot het doen van een aanbod’ zijn mogelijk.

Voor een uitnodiging tot het doen van een aanbod is niet vereist dat aanvaarding direct mogelijk is, zoals dat wel het geval is bij het aanbod in de zin van art. 6:217 lid 1 BW. Er hoeft dus ook nog geen overeenkomst tot stand te kunnen komen.

Voorinschrijvingen zijn niet toegestaan
De mogelijkheid om beleggers te laten voorinschrijven op effecten waarvan het prospectus nog moet worden goedgekeurd, valt dus onder het verbod van artikel 5:2 Wft. Ook als het gaat om bijvoorbeeld vrijblijvende reserveringen waarbij nog geen overeenkomst tot stand komt en beleggers na de goedkeuring van het prospectus wederom (schriftelijk) moeten aangeven dat men de effecten wil afnemen.

Algemene bekendmakingen zijn wel toegestaan
Het verstrekken van algemene informatie over de op handen zijnde aanbieding is wel toegestaan. Mededelingen of verzoeken die niet het karakter van een voorstel of het doen van een uitnodiging in zich dragen, gelden niet als ‘aanbieden’. Een mededeling en/of een verzoek op de website aan beleggers om hun gegevens achter te laten om op de hoogte te worden gehouden over de publicatie van het prospectus is toegestaan.
Terug naar Inhoud


  IG: Computerbeleggersgroep-ZH
zh230x180.jpg HCC Beleggen IG Computerbeleggersgroep-ZH in de regio Zuid HollandSinds de oprichting in 2002 houden wij ons bezig met “Beleggen met behulp van de computer”. Het accent ligt daarbij op het vergroten van de kennis van het ontwikkelen en exploiteren van handelssystemen. Deze zijn vooral gebaseerd op methoden uit de kwantitatieve en statistische analyse. Uiteraard wordt daarbij ook aandacht besteed aan ondersteunende software. Regelmatig besteden we echter ook aandacht aan andere vormen van beleggen zoals Fundamentele analyse. Daarbij gaan we altijd uit van het beschrijven en bespreken van een gestructureerde aanpak die gebaseerd is op objectieve grondslagen. 
Wij komen 9 keer per jaar bijeen. Afwisselend in Berkel & Rodenrijs en Delft.
Klik hier voor meer info    Contactadres: Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken

Meedoen kan
Bron: Redactie HCC Beleggen
De HCC Beleggen organiseert een aantal activiteiten. De bekendste activiteiten die wij organiseren zijn de beleggerssymposia die we tweemaal per jaar houden in De Bilt en deze nieuwsbrief.

actieveleden_gezocht_sh400x236.gifVoor de organisatie van onze symposia zijn wij voortdurend op zoek naar mensen die een bijdrage willen leveren aan de totstandkoming hiervan.
Het is niet alleen leuk om dergelijke evenementen te organiseren, maar het is ook een ideale gelegenheid om je netwerk uit te breiden met interessante contacten.

Ook voor deelname aan de redactie van de nieuwsbrief en de website zijn wij dringend op zoek naar mensen die mee willen doen.

Ook zonder deel uit te maken van de organisatie kunt u vanzelfsprekend ook meedoen aan één van de Regio- of Belangstellingsgroepen.

Maar ook andere dingen doen zoals het geven van een aardige lezing, met anderen handelsstrategieën uitwerken, software onder de knie krijgen of gewoon een groep vormen waarmee je samen de markt analyseert/bespreekt, behoort tot de mogelijkheden.

Ben je enthousiast en denk je dat een vrijwilligersfunctie jou op het lijf geschreven is, neem dan contact op met het HCC Beleggen bestuur Klik Hier of met de redactie  Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
Terug naar Inhoud

Nieuwsbrieven archief
Disclaimer: Deze publicatie komt tot stand op de redactie van beleggersonline.nl de website van de HCC IG Beleggen. Noch de mate waarin de berichten, voorgestelde scenario’s, risico’s en voorspellingen de marktverwachtingen weerspiegelen, noch de mate waarin zij in de realiteit zullen tot uiting komen, kunnen worden gewaarborgd. De voorspellingen zijn indicatief. De gegevens in deze publicatie zijn algemeen en louter informatief. Ze mogen niet worden beschouwd als beleggingsadvies. De schrijver(s) van deze publicatie en het bestuur van de HCC IG Beleggen en/of de Redactie van de Nieuwsbrief zijn derhalve niet aansprakelijk voor eventuele verliezen. De waarde van uw beleggingen kan fluctueren, behaalde resultaten uit het verleden geven geen garantie voor de toekomst.
 
< Vorige   Volgende >

http://www.beleggersonline.nl/ Validated by HTML Validator (based on Tidy) © 2017 Hcc Beleggen Website